What's the fuzz?

De laatste weken is het weer regelmatig in het nieuws, bijziendheid en kinderen. In deze blog willen we wat helderheid scheppen in deze materie

De wetenschappelijke term voor bijziendheid is ‘myopie’. Als je bijziend bent zie je dichtbij goed, terwijl je veraf juist wazig ziet. Dit wazige zicht komt omdat je oog in de lengte zo sterk groeit dat de afbeelding waar je naar kijkt niet meer óp het netvlies afgebeeld wordt, maar ervóór. Je hebt dan een correctie met een negatieve sterkte (min-sterkte) nodig om weer scherp te zien. Hoewel een min-sterkte vervelend kan zijn (want verdorie, je kind moet een bril op of contactlenzen gaan gebruiken) is de grootste reden dat er tegenwoordig zoveel aandacht is voor de zogenaamde myopie-controle (een techniek waarbij verdere progressie van de min-sterkte wordt tegengegaan) de groei van het oog, de aslengtegroei. Boven een bepaalde waarde wordt de kans op complicaties op latere leeftijd groter.
Echte myopie-management is dus op basis van de aslengte van het oog en niet alleen op een hoger wordende minsterkte. Want in theorie kan een kind met heel weinig min toch al een relatief lang oog hebben. Uit verschillende wetenschappelijke studies blijkt dat myopie management altijd gedaan moet worden op basis van het meten van de aslengte.

Onder de 12 jaar? Altijd bij de optometrist, orthoptist of oogarts!
Het accommodatief vermogen (de mogelijkheid om in te zoomen) is bij jonge kinderen erg sterk. Daarom is het belangrijk dat er onder de twaalf jaar minimaal één keer een cycloplegische refractie plaatsvindt. Dit is een oogmeting die wordt gedaan met speciale druppels, waardoor het spiertje wat de accommodatie verzorgt tijdelijk wordt verdoofd. Alleen op basis van zo'n meting kun je juist aangeven hoeveel correctie er nodig is. Een opticien is niet opgeleid om deze meting te verrichten. Daarom dient dit altijd plaats te vinden bij de optometrist, orthoptist of oogarts.

Als je één of meer van deze signalen herkent bij je kind, is je kind mogelijk bijziend:

  • Klachten over hoofdpijn of ‘vermoeide ogen’.
  • Moeite op school door het niet goed kunnen lezen van het bord.
  • Dicht bij de televisie, computer of andere beeldschermen gaan zitten.
  • Een boek heel dichtbij houden bij het lezen.
  • Objecten in de verte niet goed kunnen zien.
  • Veel knipperen.
  • Veel in de ogen wrijven.
  • Ogen vaak dichtknijpen.

Bijziendheid hoeft op zich niet gevaarlijk te zijn. Echter, vooral bij jonge kinderen kan de verandering sterk progressief zijn. De grootste progressie vindt meestal plaats tussen de 6 en 17 jaar oud. Deze groep loopt kans om hoogbijziend te worden, waarbij de aslengte van het oog langer is dan wenselijk. De problemen met hoge bijziendheid:

  • Grotere kans op staar: een vertroebeling van de ooglens waardoor het zicht minder scherp wordt. Zonder behandeling kan dit tot ernstige slechtziendheid leiden.
  • Verhoogde kans op glaucoom: verhoogde oogdruk die de oogzenuw beschadigt. Bij aanhoudende verhoogde oogdruk sterven de oogzenuwvezels geleidelijk af, waardoor delen van het buitenste gezichtsveld verdwijnen. Kan tot slechtziendheid en zelfs blindheid leiden.
  • Grote kans op netvliesloslating: het netvlies raakt los, bijvoorbeeld door één of meerdere scheurtjes. Wordt een netvliesloslating niet behandeld, dan leidt dit tot slechtziendheid of blindheid.


Vooral voor kinderen met een grote kans op het ontwikkelen van hoge bijziendheid is het van belang om de progressie tijdig zoveel mogelijk te managen. De exacte oorzaak van bijziendheid is nog steeds niet bekend, maar er zijn wel belangrijke factoren die een rol spelen, zoals:

Erfelijkheid
Als één of beide ouders bijziend zijn, is er een grotere kans op bijziendheid voor het kind. Let ook op of netvliesloslating voorkomt in de familie.

Etniciteit
Onder de Aziatische bevolking komt bijziendheid veel voor (tot wel 80%).

Leefpatroon
kinderen die weinig buiten spelen en veel tijd doorbrengen op de smartphone of tablet (dichtbijwerk) ontwikkelen vaker bijziendheid

Het is belangrijk om progressieve bijziendheid bij kinderen als het kan te remmen. Leefstijl is hierbij een belangrijke factor. Hiermee bedoelen we de mate van nabijkijken, houding en duur. Onze huidige maatschappij is immers ingericht op nabijzicht. Kinderen lezen boekjes, spelen binnen, hebben toegang tot internet via tablet, telefoon en gameconsole. Heel belangrijk blijft het om regelmatig buiten te komen. Hiervoor is een aantal jaren geleden de 20/20/2 regel bedacht: 20 minuten nabijwerk afwisselend met 20 seconden in de verte kijken en minimaal twee uur lekker naar buiten.
Mocht er toch sprake zijn van toename in min-sterkte (of zoals eerder gezegd, aslengtegroei) is het belangrijk dat we gaan onderzoeken of behandeling met atropinedruppels, al dan niet in combinatie met speciale lenzen mogelijk zijn. Dit doen wij altijd in samenwerking met een oogarts.

Wenst u meer informatie of een afspraak? Vraag dan altijd naar een oogmeting bij de optometrist.